stijlelement boven

Bij het zoeken en vinden van vermiste personen, zoals verdwaalde kinderen, dementerende en depressieve mensen is de hulp van goed getrainde reddingshonden honden onontbeerlijk.
De opleiding, die nauw aansluit bij de natuur van de hond, is zeer gevarieerd voor zowel hond als geleider. Aan de basis van onze trainingsmethodiek staat de verstandhouding tussen de geleider en de hond. De hond moet een ‘honds’ respect voor de geleider hebben en voor de geleider willen werken, zoals een roedeldier voor zijn roedelleider wil werken. De geleider moet kennis hebben over de leermethodes van de hond.

De opleiding

De opleiding begint zo jong mogelijk, het liefst dus met puppies, die spelenderwijs het zoeken en apporteren wordt bijgebracht. Gaandeweg kunnen de jonge honden wat meer belast worden en zullen ze in het bos naar hun vermiste personen leren zoeken. Met puinzoeken zullen wij zolang de hond nog in de groei is voorzichtig beginnen, dit om de risico’s van het fysiek zwaardere puinlopen en van een speelse pup op het relatief gevaarlijke puin zo laag mogelijk te houden.

Bij onze oefeningen gaan we uit van de praktijksituatie, waar vaak onder grote druk en slechte omstandigheden gewerkt moet worden. De hond zal dit werk met plezier moeten doen anders zal hij het onder zware omstandigheden zeker laten afweten. Dwang zal dan ook nooit tot het gewenste resultaat leiden.

Vlakte

In een bosrijke omgeving of uitgestrekte velden en heuvels/duinen gaan hond en geleider samen op zoek naar een vermist persoon. Heeft de hond iets gevonden dan moet hij of zij dat kenbaar maken aan de geleider en deze daarna naar het vermiste persoon toe brengen. Deze slachtoffers zijn niet mobiel, met andere woorden: het zijn personen, die liggen of zitten. Ook zullen de honden mensen in hoge posities (zoals bijvoorbeeld in bomen) verwijzen. Lopende of staande mensen zullen niet verwezen worden.

Tijdens het vlakterevieren is het de taak van de geleider om in de gaten te houden of de hond overal is geweest en waar nodig de hond te sturen.
De hond moet met zoveel drive en zelfstandigheid werken, dat hij efficiënt gebruik maakt van wind en luchtstromen om zo snel mogelijk de vermiste persoon te kunnen vinden.

Bij inzetten wordt er meestal op linie gewerkt. Hiervoor moeten de honden niet afzonderlijk een bosperceel kunnen afzoeken, maar ook in teamverband met meerdere honden.

Tijdens de trainingen worden de teams opgeleid om bij een echte inzet een groep met reddingshondenteams te kunnen ondersteunen. Aandacht is er voor GPS, portofoonverkeer, kaartlezen en professionele communicatie.
Een inzetleider houdt tijdens deze zoekacties de coördinatie en communicatie in de gaten.

Puin

Dit is het zoeken naar vermiste personen, die onder puin ten gevolge van een explosie of een natuurramp zoals een aardbeving of overstroming bedolven liggen.
De hond moet tijdens zijn zoekwerk de geleider duidelijk maken waar de sterkste geur naar buiten komt. Dit gebeurt bijv. door krabben, graven, blaffen en de lichaamshouding van de hond.

Geleiders worden getraind om deze door de hond afgegeven signalen juist te kunnen interpreteren, het zogenaamde “lezen van de hond”.

De hond moet zonder angst over het puin lopen en ook in donkere ruimtes willen zoeken.

Op die plek met de meeste geur kan worden gestart om de vermiste persoon uit te graven, maar de hond kan telkens opnieuw aangezet worden om aan te kunnen geven waar precies de persoon zich bevindt.